Omdat de Grevelingendam de Grevelingen al aan de oostkant had afgesloten, ontstond door de bouw van de Brouwersdam het Grevelingenmeer. De Brouwersdam was geen makkelijke dam. Omdat het te dichten gat tussen Goerree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland maar liefs 6,5 kilometer lang was, vormde de bouw een goede oefening voor de nog complexere Oosterscheldekering. Net als bij de Grevelingendam werden voor de Brouwersdam zowel caissons als een kabelbaan gebruikt. Eerst werden twee zandplaten in het Brouwershavense Gat opgehoogd. Vervolgens werd het noordelijke gat met caissons gedicht. Tenslotte werd het zuidelijke gat gedicht door de heen en weer rijdende gondels die hun lading beton aan de zeebodem toevertrouwden. Eind 1971 was de dam klaar. Toch werd er 10 jaar later een wijziging in de dam aangebracht: er werd een doorlaatsluis gebouwd waarmee zout zeewater werd doorgelaten. Hierdoor veranderden de flora en fauna weer geleidelijk
Waar moet hij komen?
Voordat de eerste spade de grond in ging, werd
er lang nagedacht over de plaast waar en de
manier waarop de dam zou moeten worden gemaakt.
De Brouwersdam moest in ieder geval de eilanden
Goerree en Schouwen beschermen. Daartoe moest de
dam zo westelijk mogelijk komen te liggen. Nadat
de voor- en nadelen van vier trajecten tegen
elkaar afgewogen waren, werd voor het traject
gekozen waarbij de dam via Schouwen naar de
zandplaat Middelplaat loopt en vanaf daar via de
volgende zandbank, de Kabbelaarsplaat, naar
Goerree. Het eerste voordeel was dat de afstand
tussen de Oosterscheldekering en de Brouwersdam
bij dit traject het kleinst was. Dat was
voordelig voor het verkeer. Het tweede voordeel
was financieel van aard. Het gekozen traject was
tussen de twintig en dertig procent goekoper dan
de overige alternatieven. Op 25 september 1962
werd dit traject door de overheid goedgekeurd.
Na de sluiting van de Brouwersdam stond het water in de Grevelingen van de ene op de andere dag stil. Er was immers geen getijdewerking meer. Een groot deel van het ecosysteem rond het Grevelingenmeer hing af van de invloed van het zeewater. Een goed voorbeel hiervan zijn scholeksters. Zij leefden op de hogere oevers lang de Grevelingen, maar zochten hun voedsel bij laag water op de slikken bij de oever. Vanaf het moment dat de dam gesloten was, kwam er voor de eksters geen nieuw voedsel meer bij. Kleine schelpdieren gingen al na een aantal dagen dood. Ook planten die van hun bestaan afhankelijk waren van de aanvoer van zout water, legden al snel het loodje.
Het evenwicht hersteld
Aan de hand van twee voorbeelden kan duidelijk
gemaakt worden dat de toekomst voor de flora en
fauna er net na de sluiting vaak niet
rooskleurig uitzag. Na verloop van tijd is het
met veel soorten goedgekomen. Sommige soorten
zijn verdwenen en weer anderen zijn erbij
gekomen. Het eerste voorbeeld vormen de jonge
schollen die voor de sluiting van de dam in de
Grevelingen zwommen. Na verloop van tijd
stuitten ze bij hun tocht naar zee op de dam.
Gedesoriënteerd bleven ze in de buurt van de dam
zwemmen. Toen dit bekend werd, trokken hordes
sportvissers naar de dam om de schol te vangen.
Deze zou bijna uitgestorven zijn als er niet
voortijdig maatregelingen waren genomen. Zo
werden er nieuwe schollen uitgezet. Sinds de
voltooiing van de doorlaatsluizen in de
Brouwersdam kunnen de schollen weer ongehinderd
naar de Noordzee zwemmen. Een tweede voorbeeld
zijn de oesters. Iedereen was bang dat door de
afsluiting van de zeearmen de kenmerkende
oesters uit Zeeland zouden verdwijnen. Tijdens
de strenge winter van 1962-1963 waren al bijna
alle oesters uitgestorven. Des te groter was de
vreugde toen er toch weer oesters ontdekt werden.
Ook na de sluiting van het Brouwershavense Gat
bleken de oesters niet van wijken te weten. De
oesters hadden het er zo naar hun
zin
dat ze elk
jaar voor miljoenen jonge oestertjes zorgden.
(Bron:
Brouwersdam Superspot.nl)
